Terug naar de Wolfskuil met Joop Gidding

Nu woont hij in een huisje aan de dijk in Millingen aan de Rijn en ziet hij de schepen op de rivier aan zich voorbijtrekken. Zevenenzeventig jaar geleden op 30 mei 1940, de Duitsers hadden ons land nog maar enkele weken bezet, had de vroedvrouw het druk op Pastoor Zegersstraat 20 in de Wolfskuil in Nijmegen. Er werd een tweeling geboren: Ton en Joop Gidding. Ton woont nu al jaren in Frankrijk en heeft Nijmegen al lang achter zich gelaten. Joop komt nog regelmatig in de stad en met hem gaan we terug naar de Wolfskuil.

Oorlog

‘Mijn vader was chef bij Papierfabriek Gelderland aan de Voorstadslaan,’ begint Joop. ‘Als tweeling hadden we nog een oudere en een jongere broer. Mijn vroegste herinneringen zijn van het laatste oorlogsjaar. We hadden Engelse soldaten in huis en moesten zelf in de kelder tussen de steenkolen bivakkeren. Die Engelsen stopten ons wel regelmatig chocolade toe. Op een dag hadden ze hun lorry in de straat geparkeerd. Met een aantal oudere jongetjes uit de buurt waren we op de voorbank gekropen. Bennie Tijssen was erbij, eentje van Benders, Jansen en vast ook Rokers, want daar hadden ze veel kinderen. Het sleuteltje zat nog in het contactslot en iemand moet het omgedraaid hebben, want ineens begon de vrachtwagen te rijden. Hij stond nog in de versnelling. Al die handjes op het stuur probeerden de auto nog de Kwartelstraat in te draaien, maar tegen het huis op de hoek kwam-ie tot stilstand. Ik geloof dat mijn ouders nog bozer waren dan de Engelse soldaten, die konden er wel om lachen.’

‘Bij Jan Kleisterlee, die woonde op de hoek van de Oude Nonnendaalseweg naast kruidenierswinkel van Boessen, was een bom op het dak gevallen. Mijn vader rende er heen om eerste hulp te verlenen. Vlak daarna landden de parachutisten op de Koninginnelaan, waarvan er een paar in de bomen bleven hangen. Ik zie ze nog spartelen. Mijn vader organiseerde in de oorlog met Nol Janssen, die naast ons woonde, feestavonden, hoe gek het ook klinkt. Stond er een grote tent in de straat en daar traden ze ook op met zijn tweeën. Zongen ze liedjes als “ik ben juffrouw Janssen en ik woon op nummer vier” ‘,  imiteert Joop.

N.E.C.

De kleuterschool was naast de kerk aan de Tweede Oude Heselaan en terwijl de meeste kinderen naar de lagere school aan de Koninginnelaan gingen, werden Joop en zijn tweeligbroer naar de Willibrordusschool aan de Stieltjesstraat gestuurd. Daar kregen ze elke dag een vitaminepil, die thuis aangevuld werd met een flinke slok levertraan. Bij de familie Gidding waren het fanatieke voetballers. Zijn vader, oom en neef Renie keepten in het eerste elftal van N.E.C. Zijn vader werd zelfs geselecteerd voor het Gelders elftal. Joop: ‘Ik was negen jaar toen ík bij N.E.C. begon. Ook al als keeper. Later ook nog bij Kolping en SCH gevoetbald, maar op mijn 17e geloofde ik het wel, al waren er scouts die vonden dat ik door moest gaan.’

Joop en zijn broertje

Voor Joop was de Pastoor Zegersstraat een fijne buurt. ‘We kwamen niet veel verder dan de straat. Bij het Nachtegaalplein moest ik van mijn ouders wegblijven. Daar werd veel ruzie gemaakt. Ook in de richting van de Rimboe kwamen we niet. Dan wist je meteen dat het vechten werd, en de jongens dáár kwamen niet onze kant op. Natuurlijk werd er ook kattenkwaad uitgehaald, belletje trekken en in de winter sneeuwballen naar binnen gooien bij de huizen waar een raam open stond. Gevochten of ruzie maken gebeurde eigenlijk nooit. Mensen gingen over en weer bij elkaar eten. Je kon bij iedereen zó naar binnen lopen, maar we leefden vooral op straat. Ik kwam ook vaak bij opa Gidding aan de Waterstraat. Die had daar een kruidenierswinkeltje en een transportbedrijfje. Maar hij had ook paarden, twee Belgische knollen. Die vond ik geweldig. Veel van mijn vrije tijd spendeerde ik aan het verzorgen van die beesten. Daar is mijn liefde voor paarden ontstaan.’

Harry Mooten

In 1954 vertrok de familie Gidding uit de Pastoor Zegersstraat. Ze verhuisden naar de Heiweg. Daar was meer ruimte en een enorme achtertuin. Joop ging naar de ambachtsschool in de Nieuwe Marktstraat om voor machinebankwerker te leren. Ondertussen begon ook zijn handelsgeest zich te ontwikkelen. ‘Bij Jan van Hees kocht ik oude, afgedankte fietsen op. Die knapte ik helemaal op, nieuwe lak erover en ik verkocht ze weer met een aardige winst. Ik had voor die werkzaamheden een klein schuurtje gebouwd achter in de tuin. Toen ik daar na een paar jaar genoeg van had en het schuurtje leeg kwam te staan, kocht ik een paar honderd haantjes op. Die mestte ik vet en ging daar in de buurt de deuren mee langs. Ik vervoerde ze in een paar fietstassen van de Gelderlander. Ik vroeg er twee gulden vijftig voor en ook dat liep weer als een trein. Van de winst nam ik mijn broers mee naar de film in Luxor of Carolus. Rin Tin Tin en Lassie waren onze favorieten. Het andere geslacht begon toen ook in beeld te komen. Mijn eerste vriendinnetjes woonden aan de Voorstadslaan en Marialaan. Daar knuffelde ik mee, ’ lacht Joop. Muzikaal waren de tweelingbroers Ton en Joop ook. Ze noemden zich de TonJo’s en traden onder andere op bij de Gezellenvereniging in de Kolping en in de Vereeniging, met liedjes als Ramona van de Blue Diamonds en Wij zijn twee eenzame cowboys van Johnny en Rijk. Eén keer zelfs onder begeleiding van de beroemde accordeonist Harry Mooten. ‘Ton, mijn tweelingbroer, is heel anders dan ik. Waar ik sociaal en meegaand ben, is hij vooral solistisch bezig. Altijd met en voor zichzelf bezig.’

Aannemersbedrijf

Tot aan zijn diensttijd had Joop vanaf zijn veertiende jaar verschillende baantjes, maar hij kon zijn draai nog niet vinden. Bij de cavalerie kwam hij als tankcommandant bij de parate troepen in Oirschot terecht en hij tekende voor twee jaar bij als Kort Verband Vrijwilliger. Na zijn diensttijd ging hij bij garagebedrijf Van den Bosch & Jansen werken. In de avonduren dook hij de boeken in en haalde zijn papieren voor een aannemersbedrijf, het middenstanddiploma en volgde cursussen tegelzetten, stukadoren, metselen en timmeren. In 1966, Joop was toen 26 jaar, vond hij dat hij genoeg wist om een eigen aannemersbedrijf te beginnen.

Joop: ‘In het eerste jaar was ik, geholpen door een oom en neef, vooral met kleine dingen bezig. Een nieuwe schoorsteen, muurtje of schuurtje en daar ging ik dan met al mijn materiaal op de fiets naar toe. Na de eerste grotere klus, een lijstenfabriek aan de Haterseveldweg die we moesten verbouwen tot studentenwoningen, kon ik een bedrijfsautootje aanschaffen.’

Het aannemersbedrijf floreerde en had op het hoogtepunt 50 à 60 mensen in vaste dienst en dan nóg moest Joop via andere aannemers of koppelbazen extra personeel inhuren. Hij bouwde op het laatst ook stands op bij tentoonstellingen. Ondertussen was Joop getrouwd en kreeg twee kinderen en al die jaren woonde het gezin in een boerderij bij Cuijk. Daar begint hij in 1969 ook een paardenfokkerij. Hij ging ermee naar keuringen en met succes. Oók internationaal en hij had op een gegeven moment zo’n zeventig kampioensbekers in huis staan. ‘Ik heb ze in één keer bijna allemaal verkocht,’ vertelt Joop. ‘Wat moet je ermee, behalve heel veel poetsen?’

Een van de vele prijzen die Joop in ontvangst mocht nemen

Kroeg

 Joop: ‘Toen ik jong was, had ik drie doelen gesteld. Ik wilde een aannemersbedrijf, een paardenfokkerij én een kroeg. Alleen dat laatste moest ik nog realiseren. In 2000 kreeg ik de kans om Café de Munt over te nemen op de hoek van de Muntweg en de Groenestraat. Het liep heel goed met veel klanten uit de Kolping en het Willemskwartier. Het was er altijd gezellig, maar toen ik twee jaar daarna Café Elmeran aan de Nieuwe Nonnendaalseweg over kon nemen van Wim Haefkens, hoefde ik daar niet lang over na te denken. Terug naar de Wolfskuil waar ik opgegroeid was. Voor enkele tienduizenden euro’s heb ik er aan verbouwd, waaronder een nieuwe bar, en ik gaf de kroeg een nieuwe naam: Mariken van Nimwegen. Door enkele buurtbewoners werden we raar aangekeken en die vonden ons maar kakkers en niet thuishoren in de wijk. Dat heb ik nooit begrepen. We moesten het vooral hebben van de bruiloften en partijen en elk weekend hadden we wel een boeking. In 2005 zijn we er resoluut mee gestopt. De directe aanleiding was een gewelddadige afrekening. Op het eind van een zondagmiddag zaten er twee klanten aan de bar. Mijn vrouw stond op dat moment alleen achter de bar, want ik had andere dingen te doen. Dan komen er twee mannen het café binnen. Eentje houdt de wacht bij de deur en de ander loopt naar een van de klanten aan de bar en slaat die finaal tot gort. Die klant heeft heel lang nog in het ziekenhuis gelegen. Mijn vrouw stond doodsangsten uit toen het gebeurde en wilde daarna geen voet meer in het café zetten. Wim Haefkens heeft daarna nog enkele jaren de kroeg gedraaid, die eigendom is van Ton Hendriks. Hendriks had me toegezegd dat ik de investeringen van de verbouwing terug zou krijgen. Ik moet dat geld nog steeds van hem krijgen.’

Frankrijk

Joop is sinds zijn pensionering bestuurslid van de Welsh Pony en Cob Vereniging Nederland, want hij is geen stilzitter. Terug in de Pastoor Zegersstraat weet-ie nog feilloos waar iedereen woonde. Jansen op 18 en van Dort op 22 waren de naaste buren en het grote gezin van Rokers op nummer 16. Aan de overkant Benders, Cobussen, Peters, Hendriks, Frederiks, Arts, kruidenier Boessen en Kleisterlee. Brood kochten ze altijd bij Speijers op de hoek van de Varenstraat en de Nieuwe Nonnendaalseweg.

Joop: ‘Met Ton, mijn tweelingbroer, ben ik na onze jeugd nooit echt close mee geweest. Hij is kunstenaar en handelt wat in onroerend goed in Frankrijk. Daar zoek ik hem wel om de paar jaar op om bij te praten en herinneringen op te halen.’

Tekst: Michiel van de Loo
Foto’s: Dave van Brenk en archief Joop Gidding.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *