Van oude winkels, de dingen die voorbij gaan

Bennie, zoon van melkboer Leo Peters in de Ericastraat

Op een regenachtige dag druk ik op de voordeurbel bij de familie Peters. Bennie (78) doet open en verwelkomt mij aan tafel. Daaraan zit zijn vrouw Alie (74) en Geert (fotograaf Wester). Koffie geurt door het huis wanneer we het gesprek over toen beginnen. We gaan terug in de tijd, er liep een  schillenboer op straat, een onsje bruine bonen werd afgewogen, men kocht een kopje azijn voor tien cent. Melkboer Leo Peters runde een kruidenierswinkel in de Ericastraat, middenin de Wolfskuil. Bennie, zijn zoon, hielp zijn vader graag. ‘Samen met mijn vader bracht ik melk en zuivel rond, zelfs na mijn trouwdag naast het werk dat ik voor mezelf deed,’ zegt Bennie.

Ontmoeting met Alie

Alie en Bennie zijn ruim 50 jaar getrouwd. Ze ontmoetten elkaar toen Alie 13 jaar was en wilden graag verkering. Helaas werd dat niet goedgekeurd door hun ouders thuis. Een aantal jaren later kwam Alie vanuit de Hatertseweg in de Mirtestraat te wonen. Vlakbij Bennie. ‘Ik kwam met melk aan de deur en dacht, dat is ze toch? Ze werkte bij de HEMA en stapte elke dag op de fiets naar haar werk. Ik reed met de melkwagen en zwaaide naar haar. Zo is het weer begonnen,’ vertelt Bennie.

De Rimboe

De kruidenierswinkel was vanaf ongeveer 1935 tot 1965 op nummer 26. Aan de zijkant van de winkel was een hok, dat diende als opslagplaats voor zuivelproducten. De winkel lag middenin de Rimboe, een ruige en spannende plek in de Wolfskuil. De Bremstraat, Mosstraat en Varenstraat waren ook onderdeel van de Rimboe. Ooit bedacht de buurjongen van Bennie, een Indiëganger, deze naam voor de buurt. Niet alle straten vind je meer terug op de kaart van Nijmegen. Er heerste armoede, door de voordeur hing een touwtje, mannen dronken een biertje op het plein, dat voor de kruidenierswinkel lag of bij Ootje (Dien Benda), een vrouw die altijd zei wat ze dacht en deed wat ze zei. Ootje had haar kruidenierswinkel naast die van Leo. Bennie: ’Het was zo’n gezellige buurt. Iedereen stond klaar voor je.’ Alie: ’Toen ik verkering kreeg, durfde ik echt niet naar het huis waar Bennie woonde. Ik moest daar de Kuul in, de Rimboe en dat deed ik echt niet in mijn eentje. Zijn jongere broer kwam mij halen en dan liep ik met hem mee naar hun huis. Naderhand toen de buurt mij kende, kon ik vlot alleen  lopen.’ Bennie: ‘Er was af en toe flink ruzie in het weekend. Een uur later stonden ze met elkaar een flesje bier te drinken. Zo was het ook vaak vechten tegen de Rozenbuurt aan de overkant van de Graafseweg. Ik zelf mocht niet mee vechten, vanwege de zaak. Ook ik had weleens ruzie, reken maar dat ik heel wat op mijn flikker gehad heb tussendoor.’

Oot (Dien Benda)

Wanneer de mannen uit de Rimboe buiten aan de pils zaten en gewaarschuwd werden voor politie vluchtten ze de winkel van Oot binnen. Zij had een magazijn waar de mannen gezellig verder konden pimpelen. Soms ging het mis, dan kwam er een overval. Alie: ’De politie kwam niet aan de voordeur van Oot. Ze klommen over het platte dak van Leo’s kruidenierswinkel de tuin van Ootje in. Bennie: ’Ze dachten dat we de politie gebeld hadden. Dat was niet zo. Dus mijn vader deed de deur niet open, daarom klommen ze over het dak.’

Op de pof

In die tijd had men nog geen koelkast, daarom kwam de melkboer een aantal keren per week langs. Door weer en wind werd de melk en zuivel thuis afgeleverd. Bennie: ‘In het begin bracht mijn vader zijn waar met een ponywagen rond. Later met de bakfiets, dat was veel te zwaar. Via een collega kon ik een Mechanische hond voor hem kopen, een truck met drie wielen. In het begin vond mijn vader het niks, later wilde hij niet meer anders.’

Veel mensen kochten op de pof en betaalden aan het einde van de week terug wanneer de man des huizes zijn loon beurde. Ali: ‘Of ze betaalde van de kinderbijslag. Er werd ook weleens overgeslagen als de man teveel gezopen had. Gelukkig heeft hij wel alles gebeurd hoor, toen hij later in Brakkenstein woonde kwamen mensen zelfs daar aan de deur betalen.’

Helpen

Bennie: ’Mijn moeder stond samen met een dienstmeisje in de winkel. Daar hebben we er vier van gehad. Toen mijn zusters groter werden, hielpen zij ook mee na hun eigen werktijd. Want ze hadden een baan elders. Er waren ook twee zusters, die echt in de winkel hebben gestaan.’ Alie: ’Ik was ook regelmatig alles goed aan het zetten in de schappen. Bennie: ‘Vanuit de papierfabriek Gelderland, was het op naar de winkel en hielp ik mee met de vracht, emballage klaarzetten en het magazijn opruimen. Wanneer ik uit de nachtdienst kwam ging ik geregeld de melkwagen halen en zondagochtend was ik te vinden in de papierfabriek om schoon te maken. Het was een dubbel leven.’ Alie: ’Zijn moeder was de goedheid zelve. Ze hielp waar ze kon. Gaf mensen die het moeilijk hadden boodschappen. Zelfs op zondag was er altijd een vrouw die rond etenstijd om Kittekat vroeg. Er was altijd werk aan de winkel.’

Barre tijden

Na de bevrijding in september 1945 kocht Leo een paard om daar de zuivel mee rond te brengen. ‘Op een dag was mijn vader op weg naar opa. Hij woonde in een boerderij aan de Molenweg. Onderweg was er een BS’er (lid van binnenlandse strijdkracht om na de oorlog de orde te handhaven) in blinde paniek om zich heen aan het schieten. Mijn vader werd geraakt in zijn voet en mevrouw Willekes, die daar ook liep is aan haar verwondingen overleden. Het liep allemaal niet zo goed, ook niet voor mijn moeder, die toen zeven kinderen had. Er werd veel gejat. Maas en Waal leverden in de ochtend  zuivel, die werd buiten de winkel gezet. Er was een vrouw, die telkens een fles melk weghaalde en weer iemand anders rijstepap. Later toen de chauffeur een zeildoek over de spullen deed was het afgelopen. Kleine jongens in de buurt stalen lege flessen aan de achterkant van de winkel en leverde diezelfde flessen aan de voorkant van de winkel in voor statiegeld. Daarmee kochten ze snoep. Kratten werden ook gestolen, daarmee konden ze in de winter sleeën.’

Gelukkig gebeurden er ook leuke dingen na de oorlog. Er werd op het pleintje voor de winkel vaak gedanst. Bennie: ’Er waren muzikanten, die trekharmonica en accordeon speelden.’

Het einde van de winkel

In 1975 kwam er een einde aan het ongeveer veertigjarige bestaan van de kruidenierswinkel en het rondbrengen van zuivel. Supermarkten waren in opmars, die kochten groot in en bewaarden zuivelproducten in de koeling. Daar kon je als melkboer niet tegenop. Daarnaast waren Leo en zijn vrouw op leeftijd. Bennie: ‘Vader heeft de winkel nog een tijdje aangehouden, nadat mijn moeder was gestopt. Later heeft een melkboer alles wat uitgestald stond in het magazijn opgekocht. Mijn vader en moeder woonden destijds in Brakkenstein. Mijn vader is daar nooit meer zo gelukkig geweest als toen hij met zijn melk en zuivel langs de deuren in de Wolfskuul ging. Het was een gezellige tijd, die krijgen we nooit meer terug!’’

Tekst: Caroline van Uden
Foto: Geert Timmer
Oude foto’s uit het archief van de familie Peters

Heeft u tips of zelf een verhaal over een winkel die er niet meer is, mail redactie@dewester.info

1 Comment

Add Yours

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *