Terug naar Oud-West met Jan Groos

Jan was nog een Jantje van pakweg vijf jaar toen hij voor het eerst kennismaakte met het Waterkwartier. Zelf woonde hij in Oost, op de hoek van de Broerdijk met de Pijnboomstraat, waar zijn vader dertig jaar lang een winkel runde met huishoudelijke artikelen, speelgoed, haarden, kachels, eigenlijk alles waar een beetje handel in zat. Zo kweekte Groos sr.  begin jaren vijftig als eerste in Nederland maanvissen, maar hij miste de vergunning om ze zelf te verkopen. Daarvoor schakelde hij David Nannings uit de Biezendwarsstraat in, die in een schuurtje achter zijn huis een vishandeltje had. Om de paar maanden fietste hij, met zijn maanvissen in een groot blik, richting het Waterkwartier. Achterop de bagagedrager zat Jantje, die het blik maanvissen stevig moest vasthouden om ze ongedeerd bij Nannings af te kunnen leveren, waarbij het water steevast over kleine Jan heen klotste.

STOUW

Veertig jaar later zou Oud-West zijn werkterrein worden toen hij via Tandem bij Stichting Toekomst Oud-West – Stouw – ging werken. Stouw – opgericht in 1991 – was een landelijk experiment in de steden Rotterdam, Deventer en Nijmegen met als doel de kloof te dichten tussen gemeente en bewonersorganisaties. Sociale Vernieuwing was het credo en dan bij voorkeur vanuit de bewoners zélf. Er moest een einde aan de bureaucratie komen en de lijntjes tussen een leuk idee en de uitvoering daarvan moesten korter. Bijna twintig jaar lang was Stouw een organisatie waar je in Oud-West niet omheen kon. Met Jan Groos kijken we terug op deze periode in zijn leven.

Canisius College

‘Ik ben vlak na de oorlog in 1947 geboren,’ begint Jan, ‘en groeide op in Oost. De lagere school volgde ik bij de Broeders van Maastricht, die een noodlokaal hadden aan de Acaciastraat. Daarna ging ik naar het gymnasium in het Canisius College bij de Jezuïeten. Ik kijk op  die zeven jaar nog altijd terug als de leukste tijd van mijn leven. Het onderwijs opende een nieuwe wereld voor mij. De militaire dienst was voor mij niet weggelegd. Na drie dagen mocht ik weer naar huis. Ik had ondergewicht, woog nog geen vijftig kilo. Niet dat we thuis weinig te eten kregen, maar het kwam er niet aan bij mij. Zo kon ik na het gymnasium meteen door naar de universiteit. Engels wilde ik studeren. Absoluut niet om leraar te worden, maar mijn interesse ging vooral uit naar oude talen, zoals het Gotisch, die met het Engels verbonden waren. Dát wilde ik bestuderen, maar ik was daar wel de enige in,’ lacht Jan.

Het is dan midden jaren zestig en we staan aan de vooravond van de democratiseringsgolf op de universiteiten. Jan: ‘Alles werd ineens politiek gemaakt, niemand studeerde nog. Docenten werden niet beoordeeld of ze goed les konden geven, maar of ze wel links genoeg waren. Ik wilde daar niet in meegaan. Na drie jaar Engels gestudeerd te hebben en met mijn kandidaats op zak, ben ik overgestapt naar Rechten. Daarbij nog les gehad van Dries van Agt, maar het kon me onvoldoende boeien. Er openbaarde zich een nieuwe liefde: schrijven, de journalistiek in. Mijn sollicitatie naar de Gelderlander bij hoofdredacteur Louis Frequin werd goed ontvangen en ik kon meteen aan de slag.’

WAO

Behalve op de sportredactie werkte Jan in zijn twintigjarig dienstverband overal bij de Gelderlander, maar de langste tijd voor de editie Noord-Limburg en Groesbeek. ‘Dat was erg interessant,’ gaat Jan verder. De trek  van de stad naar de omliggende gemeentes was net begonnen. Hoe gaat hier de autochtone dorpsbewoner op reageren? Precies de dingen die nu in de oudere volkswijken leven. Het werk had één groot nadeel: de onregelmatige werktijden. Mijn lichaam ging daar tegen protesteren. Mij werd geadviseerd de ziektewet in te gaan, waarna ik na één jaar vanzelf de WAO in zou stromen, toen nog mét behoud van salaris. Onder het paarse kabinet van Kok gingen die WAO-regels echter op de schop en belandde ik in de bijstand.’

Wijkblad

Niet voor lang, want Jan ging weer werken. Eerst bij de Lindenberg, het Stedelijk Cultureel Overleg – SCO – dat als doel had het culturele aanbod in de stad beter op elkaar af te stemmen. Vandaar uit ging hij klussen voor Tandem verrichten, zoals onder de noemer van STOUW een nieuw wijkblad voor Oud-West opstarten om de bewoners en de gemeente dichter bij elkaar te brengen.

Jan: ‘Dat werd sinds mijn vijfde jaar mijn eerste hernieuwde kennismaking met het Waterkwartier en Oud-West. Ook toen ik opgroeide, had je daar niks te zoeken. Het werd je als gymnasium leerling op het Canisius door de Jezuïeten sterk afgeraden, want het was een achterbuurt. Het opzetten, schrijven en redigeren van een wijkblad sprak me meteen erg aan. Je komt erg dicht bij de mensen te staan. Ik begon met het samenvoegen van een paar bestaande onregelmatig verschijnende wijkbladen, zoals de Rozenwolf en de Wijkbode, tot één Wijkblad voor Oud-West.’

Koninginnelaan

STOUW ontving jaarlijks 150.000 gulden om leuke dingen te organiseren, waarvan het initiatief uit de wijk zelf moest komen. Maar dat niet alleen. Allerlei gemeentelijke werkzaamheden moesten voortaan beter georganiseerd en gestroomlijnd worden. Jan: ‘Er moest voorkomen worden dat bijvoorbeeld de Koninginnelaan vier keer vlak achter elkaar opengebroken werd voor telkens een andere klus. Moest er wéér een kabel van het een of ander doorgetrokken worden, terwijl met een beetje coördinatie de straat maar één keer open had hoeven liggen. Dat gold net zo goed voor de ophaal- en schoonmaakdiensten van de Dar, die beter op de wijk afgestemd moesten worden. Ik merkte wel de weerstand die dit bij de ambtenaren opriep. Die gingen massaal met de hakken in het zand staan, want je mocht niet aan hun toko komen. Nu zijn de bewonersbudgetten weer naar de gemeente overgeheveld, die er vaak heel andere dingen mee doen, dan waarvoor het geld bestemd is. Komt er geen nieuw wijkcentrum, maar wordt de Molenstraat opnieuw betegeld, van die dingen.’

STOUW had echter budgetbevoegdheid en kon zelf bepalen wat er gefinancierd werd. Er ging veel geld naar de kinder- en jeugdopvang, zoals het ouder/kind centrum. Het knelpuntenfonds, waar mensen een beroep op konden doen wanneer men in de straat bijvoorbeeld een activiteit wilde organiseren, was een daverend succes. Zo ontstond achter het GAK-gebouw met de inzet van de familie Kusters een speeltuintje, dat ook als ontmoetingsplek voor de buurt heel goed functioneerde.

Het Romeinenfestival in het Waterkwartier

Romeinenfestival

Jan: ‘In de jaren 90 is er veel gesloopt in het Waterkwartier, denk aan de Theresiakerk en het klooster en omgeving. Toen was er ook weer tijd en geld voor archeologisch onderzoek; dat was sinds 1920 niet meer gebeurd. Dagelijks stonden er tientallen buurtgenoten te kijken die alles reuze interessant  vonden en de archeologen bestookten met vragen. Dat bracht ons op het idee om een groot Romeinenfestival op poten te zetten met opvoeringen en muziek. Het werd een groot succes. Ik zie Ger Hesseling nóg in zijn toga rondlopen. De mensen vonden het prachtig. We hebben dat festival daarna een jaar herhaald. Het viel me op dat wanneer je op de goede knoppen drukt de belangstelling voor het verleden van de wijk ongekend is. Samen met Ger hebben we daarna twee cultuurhistorische wandelroutes uitgezet om het Waterkwartier ook voor toeristen interessant te maken. We wilden daarbij ook gebruik maken van het spoorlijntje, dat achter de Lijnbaanstraat liep, zodat je met een treintje na de wandeling weer terug naar het centrum kon. Het VVV zag het helemaal zitten, maar de gemeente ging dwarsliggen. Het lijntje zou in de weg liggen van het  Manhattan aan de Waal, wat daar gepland was. We weten allemaal hoe dat afgelopen is….’

Kleurentelevisies

STOUW had een vaste ruimte in Titus Brandsma en iedereen kon er vrij naar binnen lopen. Een afspraak was niet nodig. Er ging geen tijd verloren aan eindeloos vergaderen, want dat deden ze niet, omdat de lijntjes kort waren. De sfeer was informeel en dat wekte vertrouwen bij de wijkbewoners, die de bureaucratie van de gemeente gewend waren. Jan viel bij STOUW met de neus in de boter. Naast zijn redactiewerk voor het wijkblad schreef hij twee boeken over de geschiedenis van het Waterkwartier. ‘Het is erg interessant om in de historie van een wijk te duiken, zeker nu er op internet steeds meer over te vinden is. De ontwikkeling van Nijmegen is in het Waterkwartier begonnen en niet op de Kopse Hof. Toen in 1910 aan de Weurtseweg de eerste vijftien woningwetwoninkjes opgeleverd werden, kwam de overloop uit de Benedenstad naar het Waterkwartier op gang en enkele decennia later naar de Wolfskuil. Er is veel veranderd. Vroeger mocht de woningbouwvereniging zomaar bij je binnen komen kijken of je het huis wel gebruikte zoals het betaamde. Wanneer schilders in de buurt aan het werk waren, kleedden zij zich om in het badhuis om te voorkomen dat ze met luizen en ander ongedierte thuis zouden komen. Het was nog nodig ook! De woningbouwvereniging had speciaal mensen in dienst die de huisvrouwen moesten leren hoe schoon te maken en te koken.  Aan de andere kant, dat moet ook gezegd, waren er in de zeventiger jaren gezinnen, waar een, twee, soms drie mensen in de bijstand zaten, en bij gingen klussen via een koppelbaas in Duitsland. De eerste kleurentelevisies vond je niet op de Kwakkenberg, maar stonden in het Waterkwartier! Toch iets van een moreel verval en de overheid zag het, keek er naar, maar liet het gebeuren. Pas laat in de tachtiger jaren veranderde er iets en nu heeft ook de wijk weer een positief zelfbeeld.’

Pensioen

STOUW hield op te bestaan in 2011. Jan: ‘Ik zag het aankomen. Het was vlak voor mijn pensioen. In het bestuur van de stichting kwamen steeds meer mensen die geen echte binding hadden met de wijk. Ze zagen het als een erebaantje, iets wat leuk staat op je CV. Ze kenden de wijk niet uit de jaren zeventig en tachtig. Ze wilden vooral vriendjes blijven met de wethouder en gemeenteambtenaren, die inmiddels zelf weer over de budgetten beschikten. Toen de statuten in die richting aangepast werden, kon je af gaan tellen hoe lang het nog zou duren. De laatste maanden waren we alleen nog maar bezig met de liquidatie. Heel erg jammer, ik denk dat STOUW nog een belangrijke rol had kunnen vervullen bij de integratie van nieuwkomers in de wijk.’

Jan woont met zijn vrouw Marian in een appartement aan de Groenestraat. Ze hebben de tijd en de mogelijkheden om zo nu en dan af te reizen naar Zuidoost Azië, hun favoriete vakantiebestemming. Beiden zijn ze geïnteresseerd in muziek uit de 16e eeuw en zingen in de koren Cantodoro, gespecialiseerd in renaissancemuziek, en Compagnie Dufay, muziek uit de Gotiek, begeleid met instrumenten uit die tijd.

‘Na het stoppen van STOUW ben ik twee jaar niet in de wijk geweest,’ besluit Jan. ‘Ik was er kapot van. Ik zat dan wel vlak voor mijn pensioen, maar ik was graag als vrijwilliger door gegaan. Nu komt alles op het bordje van de Wijkraden terecht, en ik ben bang dat mensen met een probleem weer ouderwets van het kastje naar de muur worden gestuurd.’

Tekst: Michiel van de Loo
Foto’s: Dave van Brenk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.