De gifmoorden bij Honig

De Hollandia fabriek in 1939

Vijf werkbazen vermoord en twee die het ternauwernood overleefden. Alle zeven waren ze het slachtoffer van thallium, rattengif dat in ruime hoeveelheden bij de Hollandia-fabriek – zo heette Honig vroeger – voorhanden was. De voorvallen vonden plaats in de periode van 16 november 1943 tot 21 augustus 1944, amper negen maanden. Er volgde een politieonderzoek, vlak vóór en na de bevrijding. Na beide onderzoeken volgde er een arrestatie, maar het bewijs kon in beide gevallen niet geleverd worden. Wie waren deze vermoorde mannen en waarom moesten ze dood? Waren het misschien oorlogsslachtoffers? Dat vroeg ook Henk Termeer zich af. Hij is historicus en verbonden aan de Werkgroep Oorlogsdoden Nijmegen en hij ging in 2015 op onderzoek uit. Hij wist beslag te leggen op 69 getuigenverslagen uit 1946 en kwam tot onderstaande reconstructie die uitgebreid is terug te vinden in het februari-nummer van het Nijmeegs Katern, een tijdschrift van de historische vereniging Numaga.

Hollandia

Bij Hollandia werkten in de oorlogsjaren ongeveer 300 mannen en vrouwen, strikt gescheiden van elkaar. Zo’n 90 procent van de werknemers woonde in het Waterkwartier. Het bedrijf begon als een stijfselfabriek, in de Nijmeegse volksmond Stiefselkeet, maar schakelde in de jaren dertig en veertig om naar de productie van levensmiddelen met als belangrijkste grondstoffen tarwe, maïs en rijst. De eindproducten, veelal van het merk Honig, waren bouillonblokjes, jus- en ragouttabletten, soep in poedervorm, stroop, pudding, vermicelli, spaghetti, macaroni en – vanwege de oorlog – namaakthee, -koffie en -suiker.

De werkomstandigheden

Jongens verpakken krulvermicelli in de jaren 40

De Duitse bezetter stelde in de beslissende jaren van de oorlog steeds hogere eisen aan de productie. De fabriek moest in volcontinudienst draaien met dag- en nachtploegen en met werkbazen die niet met zich lieten sollen en de arbeiders onder druk zetten. Elke overtreding van de fabrieksregels moesten de werkbazen aan de directie melden. Dat kon ontslag op staande voet betekenen of verplichte tewerkstelling in Duitsland. Arbeiders die niet productief genoeg waren, overkwam hetzelfde lot. Ook daarbij was het oordeel van de werkbazen maatgevend. Henk kwam dertien namen tegen van Hollandia-werknemers  die naar Duitsland werden gestuurd. Twee van hen zijn nooit  teruggekeerd. De jaren 1943 en 1944 waren de oorlogsjaren met het meeste gebrek aan voedsel en de arbeiders werkten met een aldoor rammelende maag. De werkbazen waren beter af. Zij kregen extra voedsel, wat ze bij de gewone arbeiders niet populairder maakte. Op bepaalde afdelingen heerste een ongezond en onhygiënisch werkklimaat door de stank van kadavers, ingekookte bouillon, zoutzuur, allerlei rottingsprocessen en de aanwezigheid van ratten, voor wie de fabriek een waar luilekkerland was. De bouillonafdeling stond bekend als een strafkolonie en daar wilde niemand graag werken. Je stond tot je enkels in de derrie en je stonk de hele dag een uur in de wind.

Thallium

Tegen de rattenplaag was toentertijd sinds kort een nieuw middel op de markt: thallium. Een reuk- en smaakloos goedje, geleverd door de firma Ramudo – Ratten Muizen Dodend -. Het werd, opgelost in water, her en der in de fabriek voorgeschoteld aan het ongedierte. Niet alleen ratten, maar ook honden en katten snoepten er van. De symptomen na inname zijn dat die dag de handen, voeten en tong beginnen te tintelen, de volgende dag gevolgd door hevige pijnen en krampen. De dag daarna valt alle lichaamshaar uit. De pijnlijke dood volgt na een afschuwelijk stervenproces na acht à tien dagen.

Wie waren de slachtoffers?

Het waren alle zeven werkbazen, niet de meeste geliefde werknemers op de werkvloer  vanwege hun macht, ambitie en extraatjes die ze genoten. Toen was nog niet bekend dat het rattengif de oorzaak van hun overlijden was. Omdat ze kort na elkaar ziek werden en overleden sprak men op de fabriek en in de wijk van de bazenziekte.

Hein van den Berg

Het eerste slachtoffer was Hein van den Berg, 40 jaar en voorman op de tarwe-afdeling. Hij werd ziek op 9 juli 1943, maar overleefde de aanslag, waarschijnlijk door een te kleine dosis gif. De dader moest het nog leren, maar Hein verloor wél het grootste deel van zijn gezichtsvermogen. Hij keerde weliswaar op 15 april 1944 weer terug op de fabrieksvloer, maar was een lichamelijk wrak.

Hendrik Tempel

Hein was goed bevriend met werkbaas Hendrik Tempel (39 jaar) en hij was het eerste dodelijke slachtoffer. Hij werd ziek op 16 november 1943 en overleed tien dagen later op 25 november in de overtuiging, net als Van den Berg, dat hij op de fabriek vergiftigd was. Vermoedelijk hadden beiden al bedreigingen aan hun adres ontvangen.

Hendrik C.J. Tempel werd op 28 juni 1904 in Nijmegen geboren. Hij was protestants en trouwde in 1930 met Susanna M. van der Horst. Het gezin met drie zoons woonde aan de Waterstraat 152. Hendrik werkte al enige tijd bij Hollandia en was daar vanaf 1935 ploegbaas. Hij werd op 16 november 1943 plotseling ziek en klaagde over prikkelende vingertoppen en verlamming in de tong. Hij had al meteen het idee dat hij op de fabriek vergif had binnengekregen via zijn theefles, net zoals zijn vriend en buurtgenoot Hein van den Berg. Hij had erge pijn in de voeten, waardoor hij niet meer kon lopen en een opgezwollen tong. Zijn huisarts vond echter dat vergiftigingsverhaal maar onzin en adviseerde aan zijn vrouw dit uit zijn hoofd te praten. Henk werd op 29 november begraven op Rustoord.

Jochem Heutink

Het tweede dodelijke slachtoffer was de pas 27-jarige werkbaas van de vermicelli-afdeling Jochem Heutink. Hij werd ziek op 12 februari 1944, opgenomen in het Canisiusziekenhuis, maar overleed al na acht dagen op 19 februari.

Jochem Heutink, geboren op 1 mei 1916, kwam uit Enschede en had protestantse ouders. Ondanks zijn jonge leeftijd werd hij begin 1944 al aangesteld als assistent-bedrijfsleider op de vermicelli-afdeling van Hollandia. Waarschijnlijk op voorspraak van zijn Nijmeegse oom F.H. Seljee, die een van de oudste bedrijfschefs op de fabriek was. Jochem was verloofd met de Nijmeegse Corrie van Westreenen en woonde in pension Edens op de Oude Heselaan 468, samen met zijn collega bedrijfschef Anton Fournier. Hij werd in tegenstelling tot veel van zijn collega-werkbazen door directie en personeel gerespecteerd om zijn kundige en faire leiderschap. Op 12 februari 1944 meldt Jochem zich ziek met klachten over pijn in zijn benen en zijn onderlichaam. De aandoening verspreidt zich razendsnel  over de rest van zijn lijf en hij verliest al zijn lichaamsbeharing. Ook de huisarts van Jochem had geen idee wat hij mankeerde en schrijft het toe aan een natuurlijke dood. Hij wordt begraven in Enschede.

Jan Pluim

Het derde slachtoffer was werkbaas Jan Pluim, 47 jaar. Hij werd op 16 maart 1944 ziek en overleed een week later. Hij was hoofd van de tarwe-afdeling.

Jan H.C. Pluim was een geboren Nijmegenaar op 7 juli 1896. Hij was protestants en in 1920 getrouwd met Maria Klazina Hendriks uit Veenendaal. Ze hadden een zoon en een dochter en het gezin woonde op de Marialaan 55. Jan was als fabrieksarbeider bij Hollandia begonnen en sinds 1930 ploegbaas van de tarwe-afdeling. In 1943 was Jan al drie keer enige tijd ziek geweest, eerst vier dagen, later zes dagen en daarna nog eens twee maanden, maar onduidelijk is door welke oorzaak. Volgens zijn vrouw kreeg Jan tijdens zijn ziekte een dreigbrief, geschreven in blokletters met rode inkt met onder andere de tekst: “Ga maar gauw kapot want de kat heeft al een gat voor jou gegraven!” Onderaan de brief stond een kat getekend. Op 16 maart 1944 werd hij opnieuw ziek, maar dit keer zeer ernstig, want hij overleed na een week op 23 maart. Zijn zoon Wouter die ook bij Hollandia gewerkt had, was in 1943 verplicht in Duitsland te werk gesteld. Hij mocht voor de begrafenis op Rustoord niet naar huis komen.

Henk Claassen

Ruim drie maanden later werd op 3 juli de vierde baas ziek. Dat was Henk Claassen, 45 jaar en pas een paar maanden bij Hollandia in dienst. Hij overleed op 18 juli.

Henk A. Claassen werd geboren op 16 maart 1899 in Nijmegen in een katholiek gezin met vijf kinderen. Hij trouwde met Petronella van Welie. Ze kregen vier nakomelingen en woonden  op St. Jacobslaan 293. Henk begon in juni 1919 als glaceerder bij de Van Dungen Chocoladefabriek in de Groenestraat. Die betrekking duurde 25 jaar en eindigde op 22 februari 1944, de dag van het grote bombardement op Nijmegen. Bij gebrek aan cacao moest de fabriek sluiten. In de twee maanden daarna werkte hij vrijwillig als puinruimer in de binnenstad. Op 23 april 1944 werd hij aangenomen als fabrieksarbeider bij Hollandia, waar hij al snel lijnbaas werd. Maar al op maandag 3 juli 1944 werd Henk ziek, een ziekte die snel verergerde en waaraan hij na een zeer zwaar ziekbed van vijftien dagen op 18 juli overleed. Waarschijnlijk vanwege zijn korte dienstverband bij Hollandia komt de naam van Henk Claassen als gifslachtoffer slechts sporadisch voor in de tientallen getuigenissen. Een familielid van het volgende slachtoffer, Jo Giesen, attendeerde de politie pas in mei 1946 op de plotselinge dood van Claassen en op de overeenkomstige symptomen. Hij ligt begraven op de begraafplaats in Brakkenstein.

Jo Giesen

Op 11 augustus 1944 werd werkbaas Jo Giesen, 40 jaar, ziek. Hij werkte op de rijstafdeling. Hij overleed tien dagen later op 21 augustus en was het vijfde en laatste slachtoffer in de reeks.

Jo M. Giesen is geboren op 15 augustus 1904 in Nijmegen als derde zoon in een katholiek gezin dat uiteindelijk acht jongens en een meisje zou tellen. Hij trouwde op 16 oktober 1931 met Hortensia Bontinck, een Vlaams meisje dat tijdens de Eerste Wereldoorlog als vluchteling naar Nijmegen was gekomen. Samen kregen ze twee zonen. Het gezin woonde aan de Bredestraat 201 in Hees. Jo Giesen werkte zich op tot fabrieksbaas van de rijstafdeling. Vier dagen voor zijn 40e verjaardag werd ook Jo Giesen ernstig ziek met klachten van verlamming aan zijn ledematen en tong. Hij dacht zelf aan vergiftiging via zijn drinkfles met surrogaatkoffie. Tien dagen later, op 21 augustus, overleed Jo Giesen. Op aandringen van bedrijfsarts L. Muller werd nu wél autopsie gepleegd en daaruit kwam voor het eerst onomstotelijk vast te staan dat er in zijn geval sprake was van vergiftiging met thallium. Jo werd begraven op het R.K. Kerkhof van de Antonius Abtkerk aan de Dennenstraat.

Henk Pluim

De autopsie op het lichaam van Jo Giesen was de redding voor Henk Pluim, de jongere broer van de eerder overleden Jan Pluim. Henk werd op 7 augustus ziek, maar door gebruik van de juiste medicijnen tegen rattengif en omdat het een forse man was, overleefde Henk de aanslag. Hij ging in januari 1945 weer aan het werk. Hij kreeg zijn haren terug, maar ze waren helemaal grijs geworden.

Het politieonderzoek

In september 1944 werd op basis van een onderzoek door de Nijmeegse politie-inspecteur Schouten en een handschriftvergelijking met de dreigbrieven een 38-jarige arbeider bij Hollandia aangehouden en in Arnhem vastgezet. Meteen daarna begon Operatie Market Garden waarna begin oktober het politiebureau aan het Valkhof door bommen werd verwoest. Het onderzoeksdossier met alle bewijsstukken over de moorden bij Hollandia ging in vlammen op. Korte tijd later ontving inspecteur Schouten een nieuwe anonieme dreigbrief in rode blokletters, dus de arrestant kon hiervan nooit de afzender zijn. Hij kon echter pas acht maanden later op 16 mei 1945 worden vrijgelaten.

De ‘Meisjes van Honig’.
Het handmatig verpakken van soep in de jaren 30

Na de oorlog wilde de directie van Hollandia kost wat kost de daders van de gifmoorden vinden. Zolang de daders vrij rondliepen was een nieuwe aanslag niet uitgesloten. De directie schakelde op kosten van Hollandia de Amsterdamse oud-inspecteur Van der Veen in. Hij kreeg daarbij hulp van de eerder genoemde Nijmeegse politie-inspecteur Schouten. Tussen 1 april en 5 november 1946 verhoorde Van der Veen 69 personen, waaronder 53 werknemers. Uit de getuigenissen van de werknemers kwamen geen eenduidige aanwijzingen of bewijzen naar voren, maar voornamelijk ongeloof in de vergiftigingen en wat vage aanwijzingen en vermoedens. Volgens Henk Termeer kan intimidatie door de verdachten hierbij een rol hebben gespeeld. Toch kwamen Van der Veen en Schouten samen in december 1946 tot de stellige overtuiging dat een groepje van vijf met name genoemde arbeiders uit verschillende fabrieksafdelingen de bedreigingen en de gifmoorden had gepland en uitgevoerd. De vermoedelijke dader van de eigenlijke vergiftigingen, volgens De Gelderlander van 7 december 1946 een kantinemedewerker die telkens dienst had ten tijde van de moorden, werd gearresteerd en vastgezet. Maar het wettelijke en overtuigende bewijs van de schuld van deze ene verdachte en zijn vier handlangers kon niet worden geleverd. Op 6 juni 1947 werd de kantinemedewerker op last van de Officier van Justitie bij gebrek aan bewijs vrijgelaten. Ondanks het verjaren van deze moordaanslagen rond 1980 heeft zich nooit iemand als dader of medeplichtige gemeld. Inmiddels zullen zij wel allemaal overleden zijn.

Oorlogsdoden

Pas in december 1946, toen de vermoedelijke dader werd gearresteerd, verschenen er in de Nederlandse kranten artikelen over de gifmoorden. Daarna zwegen de media. Het duurde tot 1984 voordat De Brug een serie van vier artikelen plaatste van journalist Wim Janssen, die gesprekken had gevoerd met de gepensioneerde politie-inspecteur Schouten. Die serie artikelen waren voor historicus Henk Termeer aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Voor Henk was het vooral belangrijk of hij vanuit zijn functie als medewerker van de Werkgroep Oorlogsdoden Nijmegen kon aantonen of de slachtoffers van de gifmoorden als oorlogsslachtoffers aangemerkt konden worden. Die erkenning zou ook voor de nabestaanden erg belangrijk zijn. Op nazaten van Jochem Heutink na sprak Henk met nabestaanden van alle slachtoffers.

Na het lezen van alle 69 getuigenverklaringen uit 1946 kon Henk Termeer niet anders dan concluderen dat de dodelijke slachtoffers als oorlogsdoden moesten gelden. Hun dood hing volgens hem duidelijk samen met de toenemende druk en de zenuwoorlog waarin de bezetter, de fabrieksdirectie, de werkbazen en de arbeiders van Hollandia  terecht waren gekomen in de laatste jaren van de oorlog. Er hing een angstcultuur en een zenuwslopend jaag- en drijfsysteem om aan de hoge productie-eisen te voldoen. Na de bevrijding van Nijmegen hield het moorden ook op, concludeert Henk.

De daders en het motief

Henk Termeer op een koude
winterdag op het Honigterrein

Henk Termeer is ervan overtuigd dat de verdachte kantinemedewerker en zijn vier handlangers ook de werkelijke daders zijn. Dat bleek uit de getuigenverklaringen, alhoewel die, misschien uit angst voor represailles, zelden concreet waren. Omdat het bewijs niet geleverd kon worden, bleven ze gewoon aan het werk bij Hollandia.

Uit de getuigenverklaringen bleek dat de daders diefstallen pleegden uit de fabriek. Vermoedelijk balen suiker of graan. Het was een bedrijf dat volcontinu draaide met veel personeelswisselingen waardoor de controles minder scherp waren. Zo verdienden ze waarschijnlijk op de zwarte markt wat bij. Wanneer dit uitkwam zou onmiddellijk ontslag en tewerkstelling in Duitsland volgen. De angst om gesnapt te worden heeft ze tot de gifmoorden aangezet. Henk heeft nadrukkelijk gezocht of de moorden als een verzetsdaad konden worden aangemerkt, maar dit bleek nergens uit. Ook niet uit de verstuurde dreigbrieven. In geen enkele getuigenis komt het woord NSB-er voor.

De gevolgen

Voor de vrouwen en kinderen van de slachtoffers waren de gevolgen van de gifmoorden het meest tragisch. Vanuit Hollandia kwam er hulp van de sociale werksters en uitkeringen uit het Honignoodfonds, maar de weduwen konden slechts met moeite het hoofd boven water houden. In de wijk was er weinig solidariteit met de nabestaanden. Waarschijnlijk ging hun sympathie meer uit naar de daders voorzover die in beeld waren. Dat is wellicht ook de reden, dat op het hele gebeuren een taboe rust. Ook bij Honig zelf, want in het jubileumboek over 100 jaar Honig uit 2012 werd geen woord aan de dramatische gebeurtenissen in 1943 en 1944 gewijd. Dat stak ook de nabestaanden.

Henk Termeer is nog niet klaar met zijn onderzoek. Hij hoopt dat met de publicatie van zijn bevindingen er na ruim zeventig jaar alsnog getuigen en nabestaanden opstaan. Dat ze het zwijgen doorbreken om correcties en aanvullingen aan te dragen op zijn reconstructie van de gebeurtenissen.

Voor reacties is dit zijn emailadres: h.termeer@let.ru.nl
De bron van dit artikel is het Nijmeegs Katern jaargang 32 nummer 1, februari 2018
Dit kunt u bestellen via secretaris@numaga.nl

Tekst, met dank aan Henk Termeer: Michiel van de Loo
Foto 2018: Dave van Brenk
Fabrieksfoto’s: Stieneo/SOHM

 

 

 

1 Comment

Add Yours

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *