Terug naar de Wolfskuil met Max Walg

Max Walg woont nu al weer tien jaar in Frankrijk. In Orgnac l’Aven, een klein dorpje met ruim 500 inwoners in het zuidelijkste puntje van de Ardèche. Minstens een paar keer per jaar komt hij terug naar Nederland om zijn familie te bezoeken, maar ook de Koningsdag slaat hij nooit over. Dan struint hij rond op de rommelmarkt in het Goffertpark om spullen op te kopen, die hij zelf weer verhandelt in Frankrijk op een van de vele vide greniers, het Franse equivalent van een vlooienmarkt. Het is de grootste hobby van de gepensioneerde politieman, die de Wolfskuil kent als wijkagent. De rest van Nijmegen kent hem als de swingende verkeersregelaar bij de intocht van de vierdaagse op de kruising van de Sint Annastraat en de Groenestraat. We gaan terug naar de Wolfskuil met wijkagent Max Walg.

Politiepost

We spreken met Max in wat vroeger een verhoorkamertje was in zijn oude politiepost op de hoek van de Koninginnelaan en de Nieuwe Nonnendaalseweg, waar nu de Wijkfabriek onderdak heeft gevonden. ‘We zaten hier met drie wijkagenten, vertelt Max. ‘Eentje voor de Koninginnelaan en omgeving, ik deed de rest van de Wolfskuil en de Rozenbuurt en de derde ging over Heseveld.’

Reservepolitie

Max wordt eind dit jaar 68 jaar. Hij groeide op in Nijmegen-Oost in de Staringstraat en kwam uit een gezin van drie kinderen. Vader verdiende de kost als vertegenwoordiger en het leek alsof Max in eerste instantie ook de handel koos om later de kost mee te verdienen. Hij bezocht de detailhandelschool en werkte als verkoper bij Sengers in de Lange Hezelstraat. Max: ‘Ik was geen opstandige jongen en schopte nergens tegen aan, maar ik liet wel graag mijn mening horen. Naast mijn werk bij Sengers ging ik op advies van mijn schoonvader bij de reservepolitie. Zo kreeg ik een kijkje in de keuken van het vak als politieagent. Het was de tijd dat daar nog ontzag en respect voor was. Het leek me wel wat. Ik solliciteerde en kon aan de opleiding beginnen, die vooral fysiek erg pittig was, maar ik voelde me toen nog een jonge God,’ lacht Max. Het is 1974 wanneer Max begint bij de politie in Nijmegen, die toen nog haar hoofbureau aan de Mariënburg had. In de eerste jaren draaide Max vooral surveillancediensten, te voet, op de (brom)fiets of met de auto.

Max voor de ingang van zijn oude politiepost hoek
Koninginnelaan/Nieuwe Nonnendaalseweg

Mobiele Eenheid

‘Je kwam automatisch bij de Mobiele Eenheid terecht,’ gaat Max verder. ‘Die werden toen vaker en massaler ingezet dan tegenwoordig. Zo kwam ik bij de treinkaping en gijzelingsactie door Molukkers bij De Punt terecht. Later in 1980 bij de kroning van Beatrix in Amsterdam. Dat ging er heavy aan toe, maar ik kon daar wel van genieten. Je deed anoniem je werk, want door die helm was je vrij onherkenbaar. En ik was nog jong, hè! Van Amsterdam kan ik me nog herinneren dat we als ME in één linie stonden en de commandant “ME Voorwaarts” riep. We rukten op, maar door het traangas dat er afgeschoten werd, zag ik helemaal niks. Ik vertrouwde op een maat van mij, die naast me liep. Door de herrie om ons heen hoorden we niet dat we moesten stoppen. Ineens stonden we met zijn tweeën in een niemandsland met vlak voor ons de relschoppers en inmiddels een heel eind achter ons de rest van de ME. Dat zijn angstige momenten, waar je achteraf wel weer om kunt lachen. Het groepsgevoel binnen de ME was erg belangrijk; je ging voor elkaar door het vuur.’

Wijkagent

In 1982 werd Max wijkagent in de Wolfskuil. Na decennia van economische groei volgt in die jaren tachtig een terugslag met een hoge werkeloosheid, vooral onder jongeren. Onder de kabinetten Lubbers wordt flink bezuinigd. Het harddrugsgebruik, vooral heroïne, doen de criminaliteitscijfers stijgen. Dat ondervindt ook Max. ‘Veel gezinnen konden nog maar moeilijk de eindjes aan elkaar knopen. Er werd proletarisch gewinkeld, zoals bij Eleman aan de Wolfskuilseweg. Dat  was vooral kleine criminaliteit, al zaten er een enkele keer ook zwaardere jongens tussen. Natuurlijk waren er ook burenruzies, maar die waren vaak al bijgelegd als ik ter plekke kwam. Ik deed bijna alles in mijn uppie op de fiets. Nooit heb ik me bedreigd gevoeld of moest ik mijn pistool trekken. Ik voelde me één met de wijkbewoners en die vonden op hun beurt dat ze van hun Max af moesten blijven. Ze wisten wat ze aan me hadden, want ik was altijd eerlijk en open. Nooit ging ik iets uit de weg, maar pakte de problemen wel tactisch aan. Als er bijvoorbeeld iemand aangehouden moest worden, ging ik daar niet met veel tamtam en loeiende sirenes op af, maar gewoon te voet of met de fiets. En ik vroeg of de betreffende persoon rustig met me mee ging. Handboeien waren niet nodig en nooit is er iemand vandoor gegaan. Dan nam ik ze mee naar de politiepost en vaak gingen we dan achterom zodat niemand het zag. Moesten ze daarna naar het hoofdbureau dan gebeurde dat in een onopvallende auto. Die aanpak werd gewaardeerd.’

Wijkteam

‘Ik kwam bij de wijkbewoners vaak binnen en wist zodoende wat er zich achter de voordeur afspeelde. Altijd in uniform, nooit in burger. Het is belangrijk om te zien hoe mensen leven. Er was veel contact met de scholen, zoals de Wieken. Er was toen ook al een wijkteam bestaande uit allerlei instanties zoals huisartsen, Pater Joost Koopmans en niet te vergeten Marie-Therèse Bruning die het maatschappelijk werk onder haar hoede had.’

Max geeft als wijkagent fietsles in de Wolfskuil

Marie-Therèse Bruning

Marie-Therèse Bruning was een fenomeen in de wijk. Geboren in 1920 en vanaf 1961 was ze in de Wolfskuil en de Rozenbuurt maatschappelijk werkster in dienst van Don Bosco, dat later overging in Stichting Club- en Buurthuiswerk. Ze hield zich bezig met gezinsproblematiek. Hoewel klein van stuk en fragiel ging ze voor niemand opzij. Ze was geliefd in de wijk en richtte haar aandacht ook op vrouwen van buitenlandse komaf om die uit hun isolement te halen. Ze ijverde voor een moskee in de wijk. In november 1985 ging ze met pensioen en kreeg een paar jaar later een lintje voor haar verdiensten. Ze overleed in 2001 en de Boskapel zat bij haar afscheid afgeladen vol.

‘Met Marie-Therèse kwam ik op het idee om Turkse mensen fietsles te geven. Dat was niet alleen zinvol, maar ook erg leuk om te doen. Daar nam je de tijd voor. Ook met families die minder goed bekend stonden en waar het wat vaker hommeles was, probeerde ik zoveel mogelijk contact te houden. Door de jongeren werd er veel gecrost op het terreintje op de hoek van de Floraweg en de Wolfskuilseweg. Dat was dé ontmoetingsplek voor de pubers en er gebeurde ook wel meer dan crossen alleen, maar ach, dat liet je maar begaan. Later mocht dat crossen niet meer, maar dan keek ik weleens een andere kant op. Ik had liever dat ze daar rondhingen dan verspreid over de hele wijk. Ik kende ze ook allemaal bij naam. Nee, als probleemwijk heb ik de Wolfskuil nooit ervaren. Misschien vonden mijn bazen dat en hadden ze me daarom hier naar toe gestuurd.’

Rozenbuurt

Max woonde zelf ook in de wijk. Enkele jaren na zijn trouwen met Rosalien in 1972 kochten ze een huis aan de Bloemendaalseweg, het korte verbindingsstraatje tussen de Molenweg en de Dikkeboomweg.  Daar groeiden hun twee kinderen Jonathan en Hester op. Jonathan trad in de voetsporen van zijn vader en zit nu ook bij de politie. Hester runt een sportschool in Druten. Max: ‘Ik werkte alleen overdag die tien jaar in de Wolfskuil als wijkagent. ’s Avonds en ’s nachts werd er gesurveilleerd door collega’s. Er zat hier op de politiepost nooit iemand in de cel. Als iemand achter de tralies moest, ging hij naar het hoofdbureau.  Ik deelde ook weinig bekeuringen uit. Je maakte wel vaak een proces-verbaal op, maar dat schrijfwerk viel erg mee. Ik denk dat ze nu langer achter een computer zitten. Ik kwam bijna dagelijks bij Villanova, het wijkgebouw. Daar kwam ik altijd Cobus Hendriks tegen. Hij was daar de beheerder. Die man was goud waard voor de wijk. Ik was ervan op de hoogte dat hij met wijkbewoners  én met een paard naar het gemeentehuis zou gaan om te protesteren tegen bezuinigingen op het wijkwerk. Natuurlijk hield ik mijn mond daarover tegen mijn meerderen. De renovatie in de Rozenbuurt staat me nog heel goed bij. Bewoners moesten toen tijdelijk naar noodwoningen aan de Dikkeboomweg. Dat had veel impact. Toen ze weer terugkeerden naar de nieuwbouw hebben we in overleg met Portaal de woningen zó toegewezen dat de probleemgezinnen niet naast elkaar kwamen te wonen. De moord op mevrouw van Kleef aan de Haterseveldweg kan ik me ook nog goed herinneren. Achteraf bleek een familielid de dader. Het zijn echter vooral de leuke dingen die je onthoudt. Dat ik ooit met de brommer hier naar de politiepost kwam, mijn fiets daarna pakte en vergat mijn helm af te zetten.’

Swingende Max tijdens de 4daagse 2005

Fanclub

‘Er was een groot wederzijds respect. De mensen wisten wat ze aan me hadden. Ik kon me goed inleven in hun situatie als er wat voorgevallen was. De saamhorigheid onder de wijkbewoners was enorm. Het waren met afstand de leukste jaren als politieagent en ik vond het jammer toen het in 1992 ophield. Je mocht niet te lang op één plek blijven. Daarna heb ik vooral op de meldkamer gezeten. Het was een periode dat veel mensen naar de politiescanner luisterden. Die konden alles horen wat er gezegd werd. Alleen als er namen genoemd werden, werd het geluid vervormd. Ja, ik geloof dat ik een eigen fanclub had,’ lacht Max. ‘Ik groette de luisteraars ook altijd wanneer ik begon. En soms was er helemaal niks te doen en dan kletste je maar wat.’

Frankrijk

In zijn vakanties ging Max steevast naar Frankrijk. Hij is een echte francofiel. Hij raakte er bevriend met een Franse collega en die vond voor Max en Rosalien een huis in de Ardèche. ‘We kochten dat in 2000,’ vertelt Max, en na mijn pensioen in 2008 hakten we de knoop door en zijn we verhuisd. Die paar keer per jaar dat ik in Nederland ben, rij ik ook altijd even door de Wolfskuil. Het is wel veranderd hè? Dertig jaar geleden was het veel meer een volkswijk. Iedereen zat altijd buiten voor het huis. Op een zomerdag stond bijna overal de voordeur wagenwijd open. Immigranten waren nog gastarbeiders en van yuppen had nog niemand gehoord. Er woonden ook weinig studenten in de wijk. Dat is allemaal aan het veranderen.’

Nog eenmaal kwam Max in functie terug naar Nijmegen. Niet naar de Wolfskuil, maar om tijdens de 100ste Vierdaagse nog één keer enkele uren het verkeer te regelen op de Sint Annastraat als de swingende politieagent. Max: ‘Dat was weer een feestje. Het waren mensen uit de Wolfskuil dit zich daarvoor hard hadden gemaakt. Geweldig toch?’

Tekst: Michiel van de Loo
Foto’s: Dave van Brenk

2 Comments

Add Yours
  1. 1
    Bert Aukes

    Beste Max,

    Je was een geliefd persoon in je doen en laten én zonder machtsvertoon. Ik weet me nog te herinneren dat jij naast me stond in je OOV Fiat Ritmo en we keken wie er sneller was. Het was maar een stukje van 100 meter maar kon het wel van je waarderen in te zijn voor een geintje. Als scannerluisteraar van het groepje dat altijd op de Grote Markt stond in stille tijden had jij op jouw manier contact met ons. Je bent een toffe vent die geen misbruik maakte van zijn functie. Geniet van je jaren in Frankrijk met Rosalien.

    Groeten,
    Bert Aukes

  2. 2
    Ruud Stoeten

    Beste Max, ik kan het niet laten om even te reageren. Als ik de naam van Kobus Hendriks zie, dan komt weer heel veel van onze gemeenschappelijke geschiedenis boven. In het begin van de 70-er jaren kwam ik als journalist bij De Gelderlander en in die hoedanigheid had ik regelmatig het voorrecht om over van alles met je te praten. Jouw wijken waren inderdaad probleemwijken, net zoals overigens Bottendaal (met ‘wijkburgemeester’ Henk Kroonenburg en de Dobbelman-zeepfabriek) en de muziekbuurt in Neerbosch-Oost. Hatert was toen nog een keurige wijk en Dukenburg was ‘in wording’, wat gebeurde er veel! In die tijd was de politie over ’t algemeen een open boek, met de wijkagenten hadden wij als krantenjongens een prima relatie. Jullie namen toen (nog) geen blad voor de mond. En ook op het HB stond de deur altijd open. Er werd van daaruit fanatiek ‘voorgelicht’: door adjudant Geertsen, ‘juffrouw’ Ter Haar met haar hasjhond Duuk (?), inspecteur Hermans, Jovake en vele anderen. Op ’t laatst van mijn carriëre bij de krant zakte dat allemaal een beetje in. Hoe ’t nu zit met de verhouding politie-pers weet ik niet: ben immers al een jaar of dertien van mijn pensioen aan het genieten.
    Ach, beste Max, ik wilde gewoon eens van me laten horen. Wellicht sluimer ik nog ergens in je herinnering. Hoe dan ook: ik zie dat jij en je lief genieten van het leven. Als God in Frankrijk. Had ik ook moeten doen. Max, het ga jullie goed!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.