Het had lang geduurd met veel inspanning, spanning en tranen. Het rijbewijs halen was moeilijker geweest dan Jessi had gedacht. Thuis had alleen haar moeder haar volledig ondersteund. Vader en broer lachten haar stiekem uit. Ze had het wel gevoeld hoor! Het theorie-examen was in één keer goed gegaan, weliswaar met de hakken over de sloot, maar met net genoeg punten. De praktijk was een ander verhaal. Nooit had Jessi kunnen vermoeden dat autorijden zo’n grote impact op haar zou hebben. En dan dat stomme macho-gedoe thuis en op het werk. Natuurlijk, vijf keer op examen was teveel. Vooral ome Erik was verschrikkelijk geweest; hij vond dat als je vijf keer rijexamen had gedaan je nooit een goede chauffeur kon worden. En vrouwen konden sowieso niet autorijden. Jessi had woedend gevraagd hoe vaak oom Erik was opgeweest. Drie keer. Giftig had Jessi opgemerkt dat er toen nog geen drie miljoen auto’s reden en hij dus een nog slechtere chauffeur was met zijn drie examens. Maar nu had ze het begeerde roze kaartje. Afgelopen vrijdag opgehaald op het gemeentehuis. Een autootje had ze al gekocht van haar spaarcentjes, een Fiat 500. Ome Erik had haar daarbij goed geholpen, dat moest ze hem dan wel weer nageven. Gisterenavond had hij hem gebracht; strak in de parelmoerwitte lak en het chroom blinkend opgepoetst. Vandaag, zondagmiddag 13 mei 2018, was het dan zover en ging Jessi voor het eerst rijden. Ze reed voorzichtig en onwennig, want dit was een hele andere auto dan de lesauto. De pedalen zaten wel erg dicht bij elkaar! Ze reed van de Krayenhofflaan het kruispunt op de Tweede Oude Heselaan in en naar de Molenweg. Op het einde van de winkelgalerij in de Molenweg, vlak voor de slijterij, stak plotseling een jongen met de fiets over; pal voor Jessi’s auto. Ze schrok zich wild, raakte in paniek en trapte op het gaspedaal in plaats van op de rem. Het wagentje sprong vooruit en Jessi gooide op het laatst, vlak voor ze fietser zou scheppen, het stuur naar links de Klaverstraat in. Er stonden twee borden als wegafsluiting waar Jessi tussendoor knalde recht op een lantaarnpaal af. Een lantaarnpaal midden op de straat, flitste het door haar heen. Welke idioot verzint dit?! Ze trok het stuur weer om en passeerde de lantaarnpaal links. Het Fiatje 500 was een pittig autootje en stuiterde verder de straat in recht op een laag tuinmuurtje met een kinderwagen er voor. Ze plette de kinderwagen met veel gekraak tegen het muurtje en kwam vast te zitten in de gordel. Ze gilde en schreeuwde het uit met grote ogen gericht op de vernielde kinderwagen. Toen sloeg ze haar handen voor haar ogen, ze kon het niet meer aanzien. Uit verschillende huizen kwamen mensen aangestormd op het lawaai af. Ook de moeder van de baby, Alara Jakobs, kwam aangestormd. Ze krijste het uit. Potige mannen duwden snel de Fiat achteruit zodat de kinderwagen loskwam. Ontzet staarde iedereen naar de overblijfselen. Alara trok de restanten los van het tuinmuurtje en staarde in de brokstukken.
‘Leeg, de wagen is leeg! Waar is Eva?! Eva! Eva!’ schreeuwde ze uit.
Jessi had een lege kinderwagen tegen een tuinmuurtje aan stukken gereden.
‘Ik was maar een paar minuten binnen’, stamelde Alara, ‘waar is Eva gebleven?’
Een andere auto kwam met piepende banden tot stilstand. Bas Jakobs stormde naar zijn vrouw en staarde ontzet naar de kinderwagen. Gelukkig had de twee maanden oude Eva niet in de wagen gelegen, maar waar was ze nu dan in hemelsnaam?
De politie kwam met sirene en zwaailicht, vijf auto’s maar liefst. Dit was niet alleen een verkeersongeluk maar tegelijkertijd ook een kidnap. Baby Eva had niet in de kinderwagen gelegen ten tijden van het ongeluk en dus werd ook de recherche erbij geroepen. Hoofdinspecteur Coen van Dalen had de leiding en schaalde binnen een kwartier groots op. De baby kon nog niet ver weg zijn. Hij liet de uitvalswegen uit de Wolfskuil afzetten en de uitrijdende auto’s controleren. Agenten in burger en in uniform zwermden uit over de Wolfskuil en belden aan bij mensen om mogelijke informatie. Niemand niets en niks gezien. Na anderhalf uur was er een briefing in het wijkgebouw Tomas Villa Nova. Er zat geen schot in. Tot nu toe geen enkele aanwijzing. Jessi was bevrijd uit haar auto en samen met Alara en Bas opgevangen door respectievelijke familie en vrienden in de wijk en ze waren ontroostbaar. Jessi flink over haar toeren en Alara en Bas in onzekerheid over Eva. Het was allemaal heel dubbel. Eva moest nog ergens zijn, maar waar? Frustratie en dankbaarheid vochten om voorrang in de emoties. Social media ontplofte zowat. Speculaties alom en een snel zichzelf benoemde helderziende kraamde zijn onzin er op los. De Wolfskuil gonsde van de activiteit.
Julia Smit liep met haar Labrador over de Floraweg te wandelen. Ze had gehoord van het ongeluk en peinsde er over, lopende op het onderbewustzijn. Bij het Florapark hoorde ze een zacht geluid en ook de Labrador spitste zijn oren. Het leek op een zacht gehuil; babygehuil. Julia kreeg een onrustig gevoel, moest hier het fijne van weten en liep het park in. De Labrador trok aan de riem en toen Julia om de struiken heen keek zag ze Evelien Vos met een baby in haar armen. Evelien wiegde de baby en maakte pruttelgeluidjes. De baby huilde zachtjes.
‘Hallo Evelien’, zei Julia vriendelijk.
Haar hart klopte in haar keel. ‘Ben je aan het oppassen?’
Evelien keek met een vertederende blik naar de baby, zoals alleen een meisje met het Syndroom van Down kan kijken.
‘De baby huilde in de wagen en ik heb voor haar gezorgd’.
‘Dat heb je goed gedaan Evelien, sorry ik moet even bellen’.
Julia belde snel 112 en werd doorverbonden met hoofdinspecteur van Dalen. Alara werd gebeld en verder werd iedereen weggehouden van het Florapark. Langzaam liep Alara op Evelien af terwijl Bas handenwringend op de Floraweg bleef met een vrouwelijke rechercheur.
‘Hallo Evelien,’ zei Alara en ze probeerde een brok in haar keel weg te slikken, ‘heb je op Eva gepast?’
Ze snelde op de baby af.
‘Rustig aan Alara,’ zei Julia bezwerend.
