Menu

X Omdat je bent ingelogd zie je op deze pagina de berichten uit al je groepen. Alleen jij ziet deze informatie.

Uitgelicht:

Terug naar de Rozenbuurt met Wim Hendriks

Michiel van de Loo
17 maart 2017 , 550x gelezen

Er is nog maar weinig wat in de Rozenbuurt aan vroeger herinnert. In het tweede deel van de jaren 70 viel het eerste deel onder de slopershamer en vorig jaar gingen de overgebleven huizen aan de Asterstraat en de Leliestraat tegen de grond. De eerste nieuwe woningen worden begin dit jaar opgeleverd. Veel van de oorspronkelijke bewoners zijn noodgedwongen verhuisd en één daarvan zochten wij op. Hij woont inmiddels al weer bijna dertig jaar in de Wagenaarstraat in Nijmegen-Oost. We gaan terug naar de Leliestraat met Wim Hendriks.

Bonanza

‘Mijn vader kwam uit Groesbeek,’ begint Wim, ‘mijn opa had daar een boerderij en mijn moeder woonde in Hatert. Toen ze trouwden woonden ze eerst in de Van Peltlaan, daarna een paar jaar aan de Koninginnelaan en in 1959, ik was toen acht jaar, verhuisden we naar de Leliestraat 54. We hadden zes kinderen: één meisje en vijf jongens. Mijn zus was de oudste, die is nu 72 jaar, dan volgden Kobus, die eigenlijk Willy heette, Rini, André, Ik en Frans, die vanwege zijn postuur al snel de bijnaam Hoss van de tv-serie Bonanza meekreeg. Frans is afgelopen jaar helaas overleden. Mijn moeder werd ook niet oud. Ze stierf veel te jong aan leverkanker, terwijl ze nooit gerookt of gedronken had. De hele buurt, vooral mevrouw Okkers en buurvrouw Schuurman hielpen mijn vader en ons door die moeilijke tijd heen. Ze stonden dag en nacht voor ons klaar.’

Brand

‘Mijn vader werkte bij het spoor. Rangeren, dat soort werk. Vaak aan de Leliestraat en dan gingen we kijken als hij bezig was. We waren altijd buiten en soms gingen we ook in Groesbeek bij opa en oma spelen. Bramen plukken. Daar nog ooit aan de dood ontsnapt. Ik was elf jaar. Ze vierden hun diamanten huwelijksfeest, 65 jaar getrouwd. Achter de boerderij stond een grote tent. Daar was het een week lang feest. Zowat het hele dorp was er. De neven en nichtjes sliepen als het later werd op de zolder van de boerderij. Daar brak plots brand uit. We konden maar ternauwernood gered worden.’

Voor de lagere school hoefden ze alleen de Graafseweg over te steken naar de Azaleaweg. ‘Wim: ‘Ik liep altijd met Frans naar school. Moesten we altijd langs het huis van mevrouw D. Die stond altijd in de deuropening met een sjekkie tussen de lippen. Ze was niet populair in de buurt. Ze was de enige in de straat die de stoep nooit veegde als het gesneeuwd had. Daar werd op gelet vroeger. Als we daar langsliepen probeerde Frans haar altijd aan het schrikken maken. Van hem kon ze het hebben, maar toen ik het een keer deed, rende ze me achterna, lette niet goed op en viel voorover met haar gezicht op een putdeksel waarbij haar sjekkie precies tussen de tralies terecht kwam. Niet netjes natuurlijk, maar dan hadden we de grootste lol.’

Bakker Toonen

‘Bakker Toonen zat op de hoek. Hij vroeg me of ik hem een keer wilde helpen met bezorgen in Neerbosch-Oost. Daar stonden in die tijd nog geen huizen, alleen maar zes of zeven boerderijen. Het vroor dat het kraakte. Op zijn transportfiets, ik achterop, daar naar toe. Toen we klaar waren zou ik f. 1,50 krijgen. We gingen de winkel in en hij riep naar achteren tegen zijn oude moeder van tachtig “blijf maar”, en hij gaf me het geld. Een week later kwam bakker Toonen weer vragen of ik meeging naar Neerbosch. Het vroor nog steeds en ik zei dat ik ziek was. Even later ging ik naar de bakkerswinkel, riep naar achteren “blijf maar”, nam snel een paar lekkere broodjes en ik maakte dat ik weg kwam. Als Pa dit wist, had-ie me met de pook geslagen. Het was een goeie pa hoor, maar wel streng.’

Winter

‘In de winter bouwden we sneeuwhutten. Elke familie had zijn eigen iglo voor de deur. Van wel twintig centimeter dik. Dan gooiden we ’s nachts water over de hut om het ijs verder aan te laten groeien. Binnen in de iglo was het helemaal niet koud. We bleven vaak tot 22.00 uur ’s avonds in de sneeuwhut zitten. In een strenge winter stonden ze wel eens een maand lang. Het huis was niet warm te stoken. Alleen rondom de kachel was het lekker warm. Met mijn broertje André wilde we ze thuis eens verrassen. Vlak bij het spoor zat een kolenboer, die vaak ’s nachts kolen aangeleverd kreeg. Wij om drie uur stiekem opgestaan en stilletjes naar het spoor toe. De wagon met eierkolen om gelost te worden stond er al. Wij hebben er dertien zakken uitgehaald en thuis in de kelder gestort. Niemand had ons gehoord of gezien. De eierkolen lagen tot de derde tree opgestapeld. Toen we de volgende terug uit school kwamen, zat de politie thuis. Ze hadden een grote bouvier bij zich. Of wij iets van die diefstal wisten. “Natuurlijk niet”, zei pa, “s nachts slapen we hier”. Toen wilden ze naar de kelder en van pa mochten ze gerust hun gang gaan. Hij wist niet beter, en dat kwam zó eerlijk over dat ze de kelder lieten voor wat-ie was en weer vertrokken. Daarna ging pa zelf in de kelder kijken. Hij was erg kwaad, maar kon de komende winters mooi gratis stoken.’

Kreidler

‘We zijn nooit iets te kort gekomen hoor. Pa had altijd wel ergens een ouwe sok. Hij verdiende ook goed bij de spoorwegen. Als we zestien werden, kregen we een Kreidler Florett, al reed ik die van mij al na vier maanden total loss. We hadden ook de eerste televisie in de straat. Ikzelf probeerde ook altijd iets bij te verdienen. Als kind al. Kocht ik bij Berntsen Braam voor vijftig cent een kruiwagen kachelhout en verkocht dat in de Leliestraat met dikke winst.’

Wim kan zich nog goed herinneren wie er allemaal bij hem in het rijtje woonden: ‘Verlet, bakker Toonen, Schuurman, dan wij op 54, Willems, Okkers, Roelofs, Wesselkamp, Eikhout en Liebers. We trokken vaak op met Hennie Rova, Heintje, Gerrie en Marcel Willems, Jantje Okkers, Henny, Frans en Willy Wesselkamp. Toevallig kwam ik de laatste een tijdje terug nog tegen in Hatert, maar de meeste zijn allemaal dood.’ De winkels zijn met de sloop, of soms al eerder, ook allemaal verdwenen. ‘Bertje Theunissen, Van Balkom de kruidenier, Wolters, ook een kruidenier en later een friettent. Op de hoek van de Asterstraat en de Haterseveldweg had je een schoenenwinkel, sigaren- en een melkboer. Om de hoek aan de Graafseweg zat nog Hoogeveen, eerst een slager en later ook een friettent, daar hingen we vaak rond.’

Kobus

Wim had een zes jaar oudere broer die Willy gedoopt was, maar door iedereen Kobus werd genoemd. ‘Kobus was altijd voor de buurt bezig,’ vertelt Wim. ‘Elke dag zat hij in het groene gebouwtje. Hij deed en regelde alles daar, had voor alles een oplossing en kreeg ontzettend veel voor elkaar. Hij heeft nooit een betaalde baan gehad. Pa onderhield hem. Trouwen en een vrouw wilde hij niet. “Die zijn veel te duur, dat geld krijg ik zelf ook wel op,” zei-t-ie altijd.’

Kobus is inmiddels een legendarische figuur in de Wolfskuil. Hij wist altijd iedereen te mobiliseren. Of het nu tegen de verhoging van de bierprijs in het wijkgebouw was of tegen de krotopruiming in de Rozenbuurt. Zo dreigde hij ooit met de bulldozers van Cornelissen, een transportbedrijf aan de Wolfskuilseweg, de Graafseweg over een lengte van één kilometer open te breken. Dat dreigement heeft-ie uiteindelijk niet uitgevoerd. Wel trok hij daarna met wijkbewoners in protest naar de raadsvergadering van het gemeentebestuur. Kobus voorop met naast hem een paard, die hij meenam in de lift van het stadhuis. Solidariteit stond bij Kobus hoog in het vaandel en hij was nooit uit op eigen eer. Het paard wat hij meenam, graasde op een weiland aan de Floraweg. Daar verrees later Dierenweide Kobus, vernoemd naar de man die het altijd opnam voor zijn buurt. Hij overleed veel te jong, op veertigjarige leeftijd op 5 juli 1986.

Overspannen

‘Weet je,’ vertelt Wim, ‘ik zat de avond daarvoor met hem aan tafel en hij zei ineens: “morgen ga ik dood”. Ik snapte er niks van, hij was kerngezond nog, mankeerde niks. Een dag later kwamen ze me waarschuwen op mijn werk. Ik moest meteen naar huis toe, er was iets met pa of Kobus. Hij is nog naar het ziekenhuis gebracht, maar het was al te laat. Hij was helemaal blauw aangelopen. Ik weet nog steeds niet wat nu precies de doodsoorzaak was. Hij was vlak daarvoor nog helemaal onderzocht. De dokter had hem alleen geadviseerd het wat rustiger aan te doen, hij dreigde overspannen te worden.’

‘Ik moet er wel bij zeggen, dat hij niet echt gezond leefde. Hij kon op het clubhuis bij visboer Klabbers honderd haringen bestellen, maar dan at hij er zelf 35 van op. Of als pa voor de volgende dag gehaktballen had gebraden, at hij ’s nachts de halve pan leeg en kreeg een broer de schuld,’ lacht Wim.

Tuff Tuff

Na de lagere school ging Wim in de avonduren naar de tuinbouwschool in Boxtel en werkte overdag bij Abelia, een tuinbouwbedrijf toen nog naast de Vereeniging. Hij onderhield de tuinen van de Burgemeesters de Graaff en Hermsen. In de koppelbazentijd werkte hij als dakdekker in Duitsland. Dat betaalde veel beter dan hovenier. ‘Ik kwam per week met 1200 DM thuis. Daar moest je wel 60 uur voor werken. Vertrok je op maandagochtend vroeg en kwam je pas op vrijdag weer thuis. Veel ging niet fiscaal. Zo stonden we ooit met zijn allen zwart te werken op het nieuwe GAK-gebouw aan de Koninginnelaan. In het weekend gingen we uit. Vaak met een vast groepje van een man of twintig naar Tuff Tuff of Moonlight in de Bloemerstraat.’

Toen Wim een jaar of vijftien was, leerde hij in de Boerderij in Neerbosch-Oost Leen kennen en ze trouwden toen Wim twintig was. Er kwamen drie kinderen, er werd vaak verhuisd, maar in 1978 woonde het gezin weer in de Rozenbuurt. In de Rozenstraat, waar ze een huis huurde van huisjesmelker Keulemans. Wim: ‘We betaalden daarvoor f. 2,50 per maand. De huur werd op vrijdag door hem persoonlijk opgehaald. Dan kwam hij met de fiets. Eén keer was het erg koud en ik bood hem een borreltje aan. Dat lustte hij wel. Daarna nóg een en inmiddels was-ie al vergeten waarvoor hij kwam. Die maand geen huur betaald,’ lacht Wim.

Wagenaarstraat

Na twaalf jaar liep zijn huwelijk op de klippen. De Rozenbuurt ging voor een deel plat en Wim verhuisde in 1987 naar de Wagenaarstraat in Nijmegen-Oost. Daar woont hij met veel plezier nog steeds. Hij is er omringd door drie honden en achter in de tuin houdt hij kippen, vogels, konijnen en postduiven. Vanwege zijn onafscheidelijke hoedje is dat ook zijn bijnaam geworden in de straat. Nog wekelijks komt hij in zijn oude buurtje, wanneer hij Nelis van den Brink, een goede vriend van vroeger die nog in de Rozenstraat woont, opzoekt.

Reacties

Bekijk al het nieuws uit je buurt »